Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Procesverloop
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van de overige middelen.
5.Slotsom
6.Beslissing
3 maart 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd primair ten laste gelegd dat hij in de periode mei-juni 2011 in Almere kentekenplaten had weggenomen en subsidiair dat hij door misdrijf verkregen kentekenplaten had voorhanden gehad of overgedragen. Daarnaast werd hem ten laste gelegd dat hij in dezelfde periode benzine had weggenomen van een Shell-pompstation.
De politierechter verklaarde de dagvaarding nietig wegens innerlijke tegenstrijdigheid en sprak verdachte vrij van het subsidiair tenlastegelegde. Het Hof verleende verstek tegen verdachte, wijzigde de tenlastelegging en verklaarde de dagvaarding geldig. Het Hof vernietigde het vonnis van de politierechter en verklaarde verdachte schuldig aan beide feiten.
De Hoge Raad oordeelde dat art. 423, tweede lid, Sv niet van toepassing was op het eerste feit omdat de politierechter daarover had beslist, maar dat het Hof ten onrechte niet had onderzocht of verdachte vooraf bekend was met de oproeping voor de hogerberoepszitting voor het tweede feit. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof voor dat feit en de strafoplegging en verwees de zaak terug voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest Hof voor feit 2 en strafoplegging en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting.