Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
13 januari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd verdacht van het mede delen van voorwetenschap over de kwartaalcijfers van een beursgenoteerde vennootschap, [A] N.V. Het hof sprak verdachte vrij omdat de informatie waarop de wetenschap betrekking had reeds openbaar was gemaakt in een trading update van 27 maart 2006, vóór de publicatie van het persbericht op 18 april 2006.
De verdachte zou in de periode van 14 tot en met 15 april 2006 koersgevoelige informatie hebben gedeeld met een medeverdachte, waaronder het persbericht met kwartaalcijfers. Het hof stelde vast dat de trading update al eerder kenbaar was voor het beleggend publiek en dat deze update de kern van de koersgevoelige informatie bevatte. Hierdoor was de informatie niet meer niet-openbaar in de zin van artikel 46, vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en verwijst naar eerdere jurisprudentie en Europese richtlijnen over de definitie van koersgevoelige informatie en voorwetenschap. De Hoge Raad benadrukt dat openbaarmaking betekent dat de informatie zonder voorbehoud aan derden is bekendgemaakt en daarmee kenbaar is voor het beleggend publiek. Het cassatieberoep wordt verworpen en de vrijspraak blijft gehandhaafd.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van het begrip voorwetenschap en de vereisten voor openbaarmaking van koersgevoelige informatie binnen het kader van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.
Uitkomst: De verdachte wordt vrijgesproken omdat de koersgevoelige informatie reeds openbaar was gemaakt in een trading update.