Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 17 juni 2014, nr. SGR 13/10575, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 30 april 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het beroep ontvankelijk is. Volgens de Hoge Raad rechtvaardigen de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie, omdat de partij duidelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad daarom het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. Dit betekent dat de Hoge Raad niet inhoudelijk op de klachten is ingegaan en het cassatieberoep niet in behandeling neemt.
Het arrest is gewezen door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2015. Hiermee is de procedure in cassatie definitief afgesloten zonder inhoudelijke beoordeling van de klacht.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.