Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
17 maart 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of klager, die eigenaar was van een inbeslaggenomen auto, afstand had gedaan van de eigendom van die auto en daarmee niet langer belanghebbende was in de zin van artikel 552a Sv. De Rechtbank Amsterdam had klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift omdat hij volgens de rechtbank afstand had gedaan van de auto door tijdens een getuigenverhoor te verklaren dat hij de auto niet meer terug wilde.
Klager stelde dat deze afstandsverklaring niet rechtsgeldig was, mede omdat hij het proces-verbaal niet had ondertekend en dat het geen weloverwogen beslissing was. De Hoge Raad oordeelde echter dat het afstand doen van eigendom op grond van artikel 5:18 BW Pro kan worden afgeleid uit een verklaring van de eigenaar, die vormvrij kan plaatsvinden volgens artikel 3:37 BW Pro. Het feit dat klager niet tekende onder het proces-verbaal doet hieraan niet af.
De Hoge Raad bevestigde dat artikel 116, tweede lid, Sv niet van toepassing was omdat het niet ging om afstand door de beslagene, maar door een derde belanghebbende. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de niet-ontvankelijkheid van het klaagschrift.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat klager afstand had gedaan van de auto en niet langer belanghebbende was.