Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 10 september 2014, nr. SGR 14/2467 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 23 juni 2014.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende per aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Ondanks meerdere aanmaningen is het griffierecht niet voldaan.
Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te verklaren waarom het griffierecht niet tijdig was betaald. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest is gewezen door de raadsheren Schaap, Fierstra en Groeneveld en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2015.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.