Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 30 september 2014, nr. SGR 14/2413 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 10 juni 2014.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een verzetprocedure. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk is. Hierbij is overwogen dat de klachten die belanghebbende aanvoert geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat het belang bij het cassatieberoep onvoldoende is of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld en dat de uitspraak van de lagere rechter blijft staan.
Het arrest is gewezen door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2015. Hiermee is de procedure definitief afgesloten zonder inhoudelijke beoordeling van de klachten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.