Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
3.Slotsom
4.Beslissing
24 maart 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een mishandelingsfeit gepleegd op of omstreeks 7 september 2002. De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis. De Hoge Raad stelt ambtshalve vast dat het feit valt onder artikel 300 Sr Pro, eerste lid (oud), waarop een gevangenisstraf van maximaal twee jaar staat.
Volgens artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2°, in verbinding met artikel 72, tweede lid Sr, bedraagt de verjaringstermijn in dit geval maximaal twee maal zes jaren. Hierdoor is de vervolging ten aanzien van het ten laste gelegde feit verjaard. De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Het middel van cassatie behoeft geen bespreking omdat de verjaring ambtshalve door de Hoge Raad wordt vastgesteld. De uitspraak van de politierechter blijft buiten beschouwing. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 24 maart 2015.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk wegens verjaring van de vervolging.