ECLI:NL:PHR:2015:245
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ambtshalve niet-ontvankelijkverklaring wegens verjaring mishandeling
Het Gerechtshof te Leeuwarden veroordeelde verdachte bij verstek op 5 april 2005 wegens mishandeling gepleegd op of omstreeks 7 september 2002. De straf bestond uit een taakstraf en een schadevergoedingsmaatregel. Namens verdachte werd cassatie ingesteld.
De Hoge Raad beoordeelde ambtshalve of de vervolging nog ontvankelijk was vanwege mogelijke verjaring. Mishandeling was destijds strafbaar met een maximum gevangenisstraf van twee jaren, met een verjaringstermijn van zes jaren, die in dit geval maximaal twaalf jaren kon bedragen. De verjaringstermijn begon op 8 september 2002.
Hoewel het hof de veroordeling in 2005 uitsprak en de mededeling daarvan aan de griffier op 12 augustus 2005 plaatsvond, werd vastgesteld dat geen daad van vervolging binnen zes jaren na die datum had plaatsgevonden die de verjaring zou stuiten. De latere pogingen tot betekening en het cassatieberoep vonden pas na deze termijn plaats. Hierdoor was het recht tot strafvordering reeds vóór het verstrijken van de twaalfjaarstermijn vervallen.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens verjaring. Hierdoor kon niet worden toegekomen aan de inhoudelijke behandeling van de cassatieklachten.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van het ten laste gelegde mishandelingsfeit.