ECLI:NL:PHR:2015:245

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2015
Publicatiedatum
20 maart 2015
Zaaknummer
13/03251
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 70 SrArt. 72 SrArt. 71 SrArt. 366 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve niet-ontvankelijkverklaring wegens verjaring mishandeling

Het Gerechtshof te Leeuwarden veroordeelde verdachte bij verstek op 5 april 2005 wegens mishandeling gepleegd op of omstreeks 7 september 2002. De straf bestond uit een taakstraf en een schadevergoedingsmaatregel. Namens verdachte werd cassatie ingesteld.

De Hoge Raad beoordeelde ambtshalve of de vervolging nog ontvankelijk was vanwege mogelijke verjaring. Mishandeling was destijds strafbaar met een maximum gevangenisstraf van twee jaren, met een verjaringstermijn van zes jaren, die in dit geval maximaal twaalf jaren kon bedragen. De verjaringstermijn begon op 8 september 2002.

Hoewel het hof de veroordeling in 2005 uitsprak en de mededeling daarvan aan de griffier op 12 augustus 2005 plaatsvond, werd vastgesteld dat geen daad van vervolging binnen zes jaren na die datum had plaatsgevonden die de verjaring zou stuiten. De latere pogingen tot betekening en het cassatieberoep vonden pas na deze termijn plaats. Hierdoor was het recht tot strafvordering reeds vóór het verstrijken van de twaalfjaarstermijn vervallen.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens verjaring. Hierdoor kon niet worden toegekomen aan de inhoudelijke behandeling van de cassatieklachten.

Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van het ten laste gelegde mishandelingsfeit.

Conclusie

Nr. 13/03251
Zitting: 27 januari 2015
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 5 april 2005 de verdachte bij verstek wegens mishandeling veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van vijftig uur, subsidiair vijfentwintig dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 258,77 toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. S.M. Carabain-Klomp, advocaat te Meppel, een schriftuur ingediend.
3. Alvorens aan de bespreking van de schriftuur toe te komen, vraag ik in het kader van de ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak aandacht voor het volgende.
4. Het ten laste gelegde heeft betrekking op een mishandeling begaan op of omstreeks 7 september 2002. Mishandeling is strafbaar gesteld in art. 300, eerste lid, (oud) Sr. Op mishandeling was ten tijde van het ten laste gelegde een gevangenisstraf gesteld van ten hoogste twee jaren, terwijl vanaf 1 februari 2006 een strafmaximum van drie jaren gevangenisstraf geldt. De verjaringstermijn bedraagt derhalve zes jaren (art. 70, eerste lid, aanhef en onder 2°, Sr). Op grond van art. 70, eerste lid, aanhef en onder 2°, Sr, in verbinding met art. 72, tweede lid, Sr, beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren, dus in totaal twaalf jaren. Die termijn vangt in dezen aan op de dag na die waarop het feit gepleegd zou zijn (art. 71, eerste lid, Sr). Dat betekent dat de verjaringstermijn op 8 september 2002 is aangevangen. Thans zijn meer dan twaalf jaren verstreken na de aanvang van de verjaringstermijn. Dat betekent dat het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen en dat de officier van justitie in zoverre alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.
5. Voorts geldt het volgende. Ingevolge art. 72, eerste lid, Sr wordt de verjaring gestuit door elke daad van vervolging. Sedert de inwerkingtreding op 1 januari 2006 van de wet van 16 november 2005, Stb. 595 (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten) geldt niet meer de eis dat die daad de vervolgde bekend of betekend moet zijn. Het hof heeft de bestreden uitspraak bij verstek gewezen op 5 april 2005. De mededeling van de verstekuitspraak is op 12 augustus 2005 aan de griffier uitgereikt. Ik ga ervan uit dat daarmee de verjaring is gestuit. De eerstvolgende poging tot betekening van de mededeling uitspraak als bedoeld in art. 366 Sv Pro die zich bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt, dateert van 19 september 2012. Daarna is op 27 februari 2013 de mededeling uitspraak in persoon uitgereikt. Vervolgens is tijdig beroep in cassatie ingesteld.
6. De stukken geven geen blijk van een daad van vervolging die is verricht binnen zes jaren na 12 augustus 2005. Weliswaar bevat het zich bij de stukkende bevindende verzoek tot signalering aantekeningen van zogeheten VIP-controles vanaf 16 september 2008, maar deze zijn als zodanig niet als daden van vervolging als bedoeld in art. 72, eerste lid, Sr aan te merken. [1] Het moet er daarom voor gehouden worden dat de verjaring van het ten laste gelegde feit ook vóór het verstrijken van de fatale twaalfjaarstermijn niet tijdig is gestuit. Het recht tot strafvordering was derhalve reeds voordien door verjaring vervallen.
7. Het voorafgaande brengt met zich dat aan de bespreking van de cassatieklachten niet kan worden toegekomen. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak, de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk kunnen verklaren in de vervolging. [2] Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging ter zake van het ten laste gelegde.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:845, NJ 2014/227.
2.Vgl. HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7368; HR 3 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2901; HR 16 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6357, NJ 2010/232 (niet ambtshalve); HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3695, NJ 2009/533; en HR 16 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3701.