Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 28 januari 2014, nr. BK-13/00249, betreffende de aan belanghebbende in rekening gebrachte invorderingskosten.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 28 januari 2014 betreffende de aan belanghebbende in rekening gebrachte invorderingskosten.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit komt doordat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak werd gedaan door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), M.A. Fierstra en J. Wortel op 16 januari 2015.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.