Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
31 maart 2015.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijk gestelde termijn via een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en stelde vast dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet was nageleefd. Hierdoor kon de verdachte niet worden ontvangen in het beroep. Vervolgens verklaarde de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 31 maart 2015.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van middelen van cassatie.