AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie vennootschapsbelasting 2009
Belanghebbende, een besloten vennootschap, had beroep ingesteld tegen de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2009 en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wees op 19 augustus 2014 uitspraak in deze zaak.
Het beroepschrift in cassatie werd echter niet binnen de wettelijke termijn van zes weken na verzending van de uitspraak van het hof ingediend. De termijn eindigde op 1 oktober 2014, terwijl het beroepschrift pas op 10 oktober 2014 bij de Hoge Raad werd ontvangen. Ook een verzoek om termijnverlenging of een beroep op artikel 6:9 lid 2 AwbPro werd niet tijdig ingediend.
De Hoge Raad heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld om redenen aan te voeren voor de overschrijding van de termijn, maar de aangevoerde gronden waren onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen. Daarom werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad achtte geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en sprak het arrest uit op 3 april 2015.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.
Uitspraak
3 april 2015
Nr. 14/05067
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V.te [Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 19 augustus 2014, nr. 14/00012, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Blijkens een door de griffier van het Hof op de uitspraak van het Hof gestelde aantekening is een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen verzonden op 20 augustus 2014.
Blijkens een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening is dit beroepschrift, dat is gedagtekend 26 september 2014, op 10 oktober 2014 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen.
Het beroepschrift in cassatie is derhalve niet ontvangen binnen de in artikel 6:7 AwbPro gestelde termijn van zes weken, die in het onderhavige geval eindigde op 1 oktober 2014. Het is evenmin tijdig ingediend in de zin van artikel 6:9, lid 2, Awb.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 13 oktober 2014 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Hetgeen belanghebbende in haar brief van 14 oktober 2014 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Gelet op het hiervoor overwogene moet het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard.
2.Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
3.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2015.