Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het negende middel
3.Beoordeling van het tiende middel
4.Beslissing
7 april 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, zonder nadere motivering.
Een belangrijk onderdeel van de beoordeling betrof het tiende middel, waarin werd gesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden door het te laat inzenden van stukken door het hof. De Hoge Raad oordeelde echter dat doordat de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep is afgedaan, deze overschrijding in voldoende mate werd gecompenseerd.
Daarom werd geconcludeerd dat er geen sprake was van een schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het beroep werd uiteindelijk verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, uitgesproken in openbare terechtzitting op 7 april 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de overschrijding van de inzendtermijn wordt gecompenseerd door snelle afdoening binnen 14 maanden.