ECLI:NL:HR:2015:880

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2015
Publicatiedatum
7 april 2015
Zaaknummer
14/00989
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen schending redelijke termijn in cassatieprocedure

De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, zonder nadere motivering.

Een belangrijk onderdeel van de beoordeling betrof het tiende middel, waarin werd gesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden door het te laat inzenden van stukken door het hof. De Hoge Raad oordeelde echter dat doordat de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep is afgedaan, deze overschrijding in voldoende mate werd gecompenseerd.

Daarom werd geconcludeerd dat er geen sprake was van een schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het beroep werd uiteindelijk verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, uitgesproken in openbare terechtzitting op 7 april 2015.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de overschrijding van de inzendtermijn wordt gecompenseerd door snelle afdoening binnen 14 maanden.

Uitspraak

7 april 2015
Strafkamer
nr. 14/00989
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 februari 2014, nummer 22/002486-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. K. Canatan en mr. G. Meijers, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Mr. K. Canatan heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste tot en met het negende middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tiende middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Nu de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie - niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
3.3.
Het middel faalt derhalve.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 april 2015.