ECLI:NL:PHR:2022:472

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2022
Publicatiedatum
16 mei 2022
Zaaknummer
20/03469
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 SrArt. 285 SrArt. 313 SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt wijziging tenlastelegging bedreiging als hetzelfde feit

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin de verdachte werd veroordeeld voor bedreiging met een afgebroken bezemsteel, nadat het hof de tenlastelegging wijzigde door dit subsidiaire feit toe te voegen aan de oorspronkelijke tenlastelegging van poging tot doodslag/poging tot zware mishandeling.

De verdediging stelde dat de wijziging ten onrechte was toegestaan omdat het subsidiaire feit niet hetzelfde feit zou zijn als bedoeld in art. 68 Sr Pro, gezien het verschil in beschermde rechtsgoederen en strafmaxima. De Hoge Raad overwoog dat de gedragingen van de verdachte qua tijd, plaats en aard gelijk waren en dat de strafbepalingen een zekere overlap vertonen in het beschermde rechtsgoed, waardoor sprake is van hetzelfde feit.

Daarnaast werd de bewijskracht van de bewezenverklaring voor bedreiging beoordeeld. De Hoge Raad vond dat de bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigen en de verdachte zelf, voldoende waren om de bedreiging aan te nemen. De bedreiging met een afgebroken bezemsteel werd als een gedraging gezien die redelijke vrees voor het leven of zwaar lichamelijk letsel kon veroorzaken.

De Hoge Raad concludeerde dat de middelen van cassatie faalden en verwierp het beroep. Tevens werd opgemerkt dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, maar dat dit geen aanleiding gaf tot matiging van de opgelegde maatregel.

De conclusie van de procureur-generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep, hetgeen door de Hoge Raad werd gevolgd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de wijziging van de tenlastelegging en de bewezenverklaring van bedreiging.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/03469
Zitting22 maart 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 20 oktober 2020 wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling” de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel richt zich tegen een door het hof toegestane wijziging van de tenlastelegging en het tweede middel bevat een bewijsklacht.

2.Het eerste middel

2.1.
Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte de vordering tot wijziging van de tenlastelegging heeft toegewezen, omdat die wijziging de toevoeging van een strafbaar feit behelst dat niet ‘hetzelfde feit’ is als bedoeld in art. 313 Sv Pro juncto art. 68 Sr Pro.
2.2.
Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 24 juni 2018 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven danwel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, de steel van een bezem/vloerwisser heeft afgebroken en (vervolgens) met deze afgebroken steel (met de afgebroken steel naar voren) meerdere ma(a)l(en) stekende bewegingen gemaakt in de richting van het lichaam van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”
2.3.
Op de zitting in hoger beroep van 6 oktober 2020 heeft de advocaat-generaal na het pleidooi van de raadsman een vordering tot wijziging van de tenlastelegging gedaan, inhoudende dat aan de tenlastelegging een subsidiair feit zal worden toegevoegd, namelijk (dat):
“hij op of omstreeks 24 juni 2018 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door de steel van een bezem/vloerwisser af te breken en met deze afgebroken steel met het afgebroken deel naar voren meerdere malen stekende bewegingen te maken in de richting van het lichaam van die [slachtoffer]”
2.4.
Het hof heeft de raadsman in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. De raadsman heeft aangevoerd:
“Ik verwachtte deze wijziging al. Ik heb bezwaar tegen de gevorderde wijziging tenlastelegging. Het betreft een totaal ander delict. Mocht u hier anders over denken, dan zou ik nog enkele aanvullende opmerkingen willen maken.”
2.5.
Na beraad heeft het hof de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen en in dat verband het volgende overwogen:
“De vordering tot wijziging van de tenlastelegging wordt toegewezen. De tenlastelegging wordt gewijzigd als in de vordering staat omschreven.
Naar het oordeel van het hof is sprake van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan beschrijven dezelfde gedraging en hoewel er verschil zit in het beschermde rechtsgoed en de strafmaxima, is dit naar het oordeel van het hof niet van dien aanzienlijke aard dat dit tot de conclusie zou moeten leiden dat geen sprake meer is van 'hetzelfde feit' in de zin van artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht.”
2.6.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof de vordering tot wijziging van de tenlastelegging had moeten afwijzen, omdat door deze wijziging geen sprake meer is van ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in art. 313 Sv Pro juncto art. 68 Sr Pro. De rechtsgoederen die worden beschermd door strafbaarstelling van doodslag en zware mishandeling enerzijds en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven en/of zware mishandeling anderzijds verschillen aanzienlijk. Daarnaast lopen de strafmaxima van de verschillende feiten aanzienlijk uiteen.
2.7.
Voor de beoordeling van het middel gelden de volgende uitgangspunten. De vrijheid van het openbaar ministerie om de tenlastelegging te wijzigen, wordt door art. 313 lid 2 Sv Pro begrensd. Daarin is bepaald dat de tenlastelegging door de wijziging geen ander feit als bedoeld in art. 68 Sr Pro mag gaan inhouden. Welke factoren hierbij van belang zijn, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 1 februari 2011 verduidelijkt. [1] Bij de beantwoording van de vraag of het bij een wijziging van de tenlastelegging nog gaat om hetzelfde feit zijn de volgende factoren relevant:
“(A) De juridische aard van de feiten.
Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft
(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en
(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte.
Indien de tenlasteleggingen respectievelijk de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.”
2.8.
De Hoge Raad voegt hieraan toe dat uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ voortvloeit dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr Pro.
2.9.
In tegenstelling tot de stellers van het middel meen ik dat, in het onderhavige geval, het aan de tenlastelegging toegevoegde subsidiaire feit kan worden aangemerkt als ‘hetzelfde feit’ als bedoeld in art. 313 Sv Pro juncto art. 68 Sr Pro. Duidelijk is dat bij het in de oorspronkelijke tenlastelegging opgenomen feit en het bij wijziging daaraan toegevoegde subsidiaire feit sprake is van gelijktijdigheid van plaats en tijd. Verder verschilt de gedraging van de verdachte omschreven in het primaire feit niet van de gedraging van de verdachte omschreven in het subsidiair daaraan toegevoegde feit. In beide gevallen wordt de verdachte verweten dat hij – kort gezegd – een bezem/vloerwisser heeft afgebroken en met de afgebroken steel stekende bewegingen heeft gemaakt in de richting van (het lichaam van) het slachtoffer. De strafbaarstellingen van poging tot doodslag en/of poging tot zware mishandeling en
bedreigingmet dergelijke feiten beschermen weliswaar verschillende rechtsgoederen, maar in de kern genomen bestaat tussen de betrokken strafbepalingen en de rechtsgoederen die zij beschermen ook een zekere overlap. Bedreiging kan immers naast de persoonlijke vrijheid van de bedreigde, door het effect van de bedreiging, zeker als deze door middel van gedragingen plaatsvindt zoals in het onderhavige geval, ook als een gevaar voor de lichamelijke integriteit worden ervaren. [2] In die zin is bedreiging ex art. 285 Sr Pro een ‘gemengd delict’ voor wat betreft het te beschermen rechtsgoed. [3] Dit vindt bevestiging in de rechtspraak van de Hoge Raad. Hieruit komt ook naar voren dat het (enkele) verschil in strafmaxima hieraan niet afdoet. [4]
2.10.
Het oordeel van het hof dat door het toewijzen van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging sprake blijft van ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr Pro getuigt niet van een verkeerde rechtsopvatting.
2.11.
Het eerste middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1.
Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaarde bedreiging niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, waardoor de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.
3.2.
Het hof heeft de verdachte bij arrest van 20 oktober 2020 vrijgesproken van de onder het primair ten laste gelegde poging tot doodslag/poging tot zware mishandeling en heeft van het onder het subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaard dat:
“hij op of 24 juni 2018 te Hoogvliet Rotterdam, gemeente Rotterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door de steel van een bezem/vloerwisser af te breken en met deze afgebroken steel met het afgebroken deel naar voren een stekende beweging te maken in de richting van het lichaam van die [slachtoffer]”
3.3.
De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 12 juli 2014 van de politie Haaglanden met nr. PL1700-2018207975-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als de op 10 juli 2018 afgelegde verklaring van [slachtoffer]:
Op 24 juni 2018 bevond ik mij in de stadsgevangenis Hoogvliet te Rotterdam-Hoogvliet. Ik zag dat een medegedetineerde mijn cel in rende. Hij had een gedeelte van een afgebroken steel van een vloerwisser in zijn hand en maakte een stekende beweging naar mij met de punt van de steel.
2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 augustus 2018 van de politie Haaglanden met nr. PL1700-2018207975-13. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 31 augustus deed ik een telefonisch verhoor afnemen van een medewerker uit de Penitentiaire Inrichting in Hoogvliet. Deze medewerker, genaamd [betrokkene 1], zou getuige zijn geweest van het incident. Zij verklaarde mij het volgende:
Ik zag dat [verdachte] met een trekker in zijn handen liep. Hij liep naar de cel van het slachtoffer. Ik zag dat [verdachte] de trekker afbrak aan de onderkant en met de overgebleven houten punt naar binnen rende in een stekende beweging.
3. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2020 verklaard -zakelijk weergegeven-:
Ik heb een beweging naar hem gemaakt met de steel.
Op foto 1 staat de steel die ik vast had. Ik had het lange deel vast.
4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 september 2018 van de politie Haaglanden met nr. PL1700- 2018207975-13. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
De afgebroken steel zal beschreven worden aan de hand van foto's, die door mij van de steel zijn gemaakt.
Foto 1)
Ik zie dat de steel in twee stukken is gebroken, er is een groot stuk en een klein stuk, beiden met een stompe kant en een puntige kant.
Foto 6)
Op deze foto is de punt van het lange gedeelte van de steel te zien, het betreft de zijkant van de punt. Ik zie dat de punt aan deze kant meerder scherpe kleinere punten bevatten.”
3.4.
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling is vereist, dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene de redelijke vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. [5] Voor een veroordeling is niet vereist dat komt vast te staan dat bij de bedreigde daadwerkelijk de vrees voor aantasting van de persoonlijke vrijheid is opgewekt. Voldoende is dat de bedreiging in het algemeen geschikt is de vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. [6] Een bedreiging kan worden gedaan met bewoordingen, gedragingen of een combinatie daarvan. Gedragingen die een bedreiging opleveren, kunnen zich in verschillende varianten voordoen. Het gebruik van een wapen is een voor de hand liggen voorbeeld van bedreigend gedrag. [7] Mijns inziens geldt hetzelfde voor voorwerpen die als (steek)wapen worden gebruikt, zoals in het onderhavige geval een afgebroken bezemsteel met een scherpe punt.
3.5.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt het volgende. De verdachte heeft een bezem/vloerwisser doormidden gebroken, is de cel van het slachtoffer binnen gerend en heeft daarbij met de afgebroken, puntige zijde van de bezem/vloerwisser gestoken in de richting van (het lichaam van) het slachtoffer. Het oordeel van het hof, dat sprake is van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling is, gelet op het voorgaande, niet onbegrijpelijk. Dat het hof niet heeft vastgesteld met welke kracht, op welke afstand en in de richting van welke lichaamsdelen van het slachtoffer de verdachte heeft gestoken, maakt dit niet anders.
3.6.
Het middel faalt.

4.Ambtshalve opmerking

4.1.
Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Namens de verdachte is op 26 oktober 2020 beroep in cassatie ingesteld. De verdachte bevond en bevindt zich in voorlopige hechtenis. De stukken van het geding zijn op 26 mei 2021 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de inzendtermijn van zes maanden en daarmee de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Daarnaast zal de Hoge Raad uitspraak doen nadat sinds het instellen van beroep in cassatie meer dan zestien maanden zijn verstreken. Aangezien de verdachte is gedetineerd, brengt dit mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro ook in dit opzicht is overschreden.
4.2.
Nu het hof enkel een maatregel heeft opgelegd die zich naar haar aard niet leent voor matiging, kan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden, worden volstaan. [8]

5.Conclusie

5.1.
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende verkorte motivering.
5.2.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
5.3.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Hoge Raad 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102,
2.A.L.J. Janssens & A.J. Nieuwenhuis,
3.Zie de conclusie van A-G Knigge, ECLI:NL:PHR:2010:BL0837 voorafgaand aan HR 9 november 2010 ECLI:NL:HR:2010:BL0837,, met name onder randnummer 18 en A.J. Machielse in: T.J. Noyon, G.E. Langemeijer & J. Remmelink (red),
4.Zie Hoge Raad 20 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3338; Hoge Raad 9 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0837. In deze zaak werd de verdachte onder andere vervolgd voor primair poging tot doodslag/poging tot zware mishandeling en subsidiair openlijk geweld. In hoger beroep werd de tenlastelegging gewijzigd door meer subsidiair bedreiging ten laste te leggen. In cassatie werd onder meer geklaagd dat het hof ten onrechte de vordering tot wijziging van de tenlastelegging had toegewezen, omdat die wijziging de toevoeging van een strafbaar feit behelsde dat niet ‘hetzelfde’ was als bedoeld in art. 313 Sv Pro juncto art. 68 Sr Pro. Mijn voormalige ambtgenoot Knigge concludeerde in deze zaak dat van een wezenlijk verschil in de strekking van de strafbepalingen niet kon worden gesprokken en dat het middel faalde. De Hoge Raad verwierp het middel met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering; Hoge Raad 8 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:880. In deze zaak werd de verdachte onder meer vervolgd voor poging tot doodslag/poging tot zware mishandeling. In eerste aanleg werd dit feit uitgebreid door subsidiair bedreiging ten laste te leggen. In cassatie werd onder meer geklaagd dat deze wijziging van de tenlastelegging niet ‘hetzelfde feit’ betrof. Mijn ambtgenoot Hofstee concludeerde dat de gedragingen van de verdachte niet uiteen liepen qua aard, tijd, plaats en omstandigheden en de strafbaarstellingen beide in zekere zin strekten ter bescherming van de lichamelijke integriteit. Hierdoor was sprake van ‘hetzelfde feit’. De Hoge Raad deed het middel op de voet van art. 81 RO Pro af..
5.Hoge Raad 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659,
6.Hoge Raad 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9309.
7.A.J. Machielse in: T.J. Noyon, G.E. Langemeijer & Remmelink (red),
8.Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,