Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
7 april 2015.
Hoge Raad
De betrokkene stelde beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad ontving de middelen van cassatie en de conclusie van de Advocaat-Generaal die het beroep verwierp.
De Hoge Raad constateert ambtshalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Deze overschrijding doet zich ook voor in de aan de ontnemingszaak gerelateerde strafzaak die eveneens in cassatie is.
Desondanks oordeelt de Hoge Raad dat deze overschrijding geen aanleiding geeft tot het verbinden van rechtsgevolgen in deze zaak. De compensatie voor de termijnoverschrijding zal in de hoofdzaak worden toegepast. Het beroep wordt derhalve verworpen en het arrest wordt gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn zonder rechtsgevolg.