Conclusie
eerste middelen het
tweede middelklagen dat in het arrest zelf geen bewijsmiddelen zijn opgenomen aan de inhoud waarvan het Hof het oordeel heeft kunnen ontlenen dat de betrokkene door zijn deelname aan het strafbare feit een voordeel als bedoeld in art. 36e Sr heeft gehad en dat het arrest niet is aangevuld met de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a Sv.
derde middel, dat klaagt over de motivering van de bewezenverklaring in de hoofdzaak, ziet over het hoofd dat de rechter die over de ontnemingsvordering moet oordelen is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. [2]
vierde middelziet eraan voorbij dat de rechter die over de ontnemingsvordering moet oordelen is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. Het Hof heeft aan de bewezenverklaring in de hoofdzaak, die inhoudt dat de betrokkene zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met braak waarbij een bedrag van € 75.478,26 is buitgemaakt, rechtstreeks kunnen ontlenen dat de betrokkene door zijn deelname aan het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld, voordeel heeft genoten.
vijfde middelen het
zesde middelkeren zich tegen de hoogte van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Hof heeft uitgelegd op basis van welke bewijsmiddelen het tot dit bedrag is gekomen. Daarmee heeft het Hof ook uitgelegd waarom het is afgeweken van de stelling van de verdediging – een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zou ik het niet willen noemen – dat “niet duidelijk kan worden gemaakt hoeveel er in de kluis gezeten moet hebben”.