ECLI:NL:HR:2015:885

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2015
Publicatiedatum
7 april 2015
Zaaknummer
14/00996
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 10 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen schending redelijke termijn in cassatiefase ondanks late inzending stukken

In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De verdediging stelde meerdere middelen voor, waaronder dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden vanwege te late inzending van stukken door het hof.

De Hoge Raad oordeelt dat de overschrijding van de inzendtermijn gecompenseerd wordt doordat de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep is afgedaan. Hierdoor is er geen sprake van een schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.

De overige middelen zijn niet ontvankelijk of leiden niet tot cassatie omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. De Hoge Raad verwerpt het beroep in zijn geheel en bevestigt daarmee het arrest van het hof.

De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 7 april 2015.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de overschrijding van de inzendtermijn wordt gecompenseerd door de afdoening binnen 16 maanden.

Uitspraak

7 april 2015
Strafkamer
nr. 14/00996
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 februari 2014, nummer 22/002532-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het vijfde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Nu de Hoge Raad de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie - niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
3.3.
Het middel faalt derhalve.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 april 2015.