Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel
3.Beoordeling van het vijfde middel
4.Beslissing
7 april 2015.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De verdediging stelde meerdere middelen voor, waaronder dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden vanwege te late inzending van stukken door het hof.
De Hoge Raad oordeelt dat de overschrijding van de inzendtermijn gecompenseerd wordt doordat de zaak binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep is afgedaan. Hierdoor is er geen sprake van een schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.
De overige middelen zijn niet ontvankelijk of leiden niet tot cassatie omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. De Hoge Raad verwerpt het beroep in zijn geheel en bevestigt daarmee het arrest van het hof.
De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 7 april 2015.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de overschrijding van de inzendtermijn wordt gecompenseerd door de afdoening binnen 16 maanden.