Conclusie
4.Het eerste middel
1.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens diefstal met behulp van een valse sleutel, waarbij geld werd gepind met een gestolen of zonder toestemming gebruikte bankpas. De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof onvoldoende gemotiveerd had waarom het afweek van het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de onbetrouwbaarheid van de herkenning door een verbalisant.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof wel degelijk voldoende redenen had gegeven om de herkenning betrouwbaar te achten, mede omdat de verdachte zelf verklaarde door anderen te zijn herkend op de camerabeelden. Het middel faalde daarom. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat waren ingezonden, wat een vermindering van de straf rechtvaardigt.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf en bepaalde dat deze verminderd moet worden naar de gebruikelijke maatstaf. Het beroep in cassatie werd voor het overige verworpen. Er werden geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de strafmaat en de opgelegde straf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.