Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
7 april 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de strafoplegging vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, met vermindering van de straf. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, behalve op grond van de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad stelde vast dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, wat een overschrijding van de redelijke termijn inhoudt. Dit leidde tot ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaar naar drie jaar en tien maanden. Voor het overige werd het beroep verworpen.
Het arrest werd gewezen door de raadsheren J. de Hullu, Y. Buruma en N. Jörg en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 7 april 2015.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van vier jaar naar drie jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.