ECLI:NL:HR:2015:904

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2015
Publicatiedatum
8 april 2015
Zaaknummer
14/00993
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatie wegens toereikende bewijsvoering ondanks discrepantie in verklaring

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld. Het beroep richtte zich onder meer op een discrepantie tussen de verklaring van de verdachte tijdens de terechtzitting in hoger beroep en de weergave daarvan in het proces-verbaal.

De Hoge Raad oordeelde dat deze discrepantie niet tot cassatie kan leiden, omdat de overige bewijsvoering voldoende was om de veroordeling te dragen. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het beroep werd gevolgd.

Het tweede middel werd eveneens verworpen zonder nadere motivering, aangezien het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Het arrest werd uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 7 april 2015.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van het gerechtshof.

Uitspraak

7 april 2015
Strafkamer
nr. 14/00993
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 28 januari 2014, nummer 23/001097-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. B.P. de Boer en mr. D.N. de Jonge, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt dat de door het Hof voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 14 januari 2014, op wezenlijke onderdelen niet overeenstemt met de verklaring zoals weergegeven in het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal.
2.2.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8, 10 en 11 kan het middel niet tot cassatie leiden.

3.Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 april 2015.