Conclusie
1. Het doden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het medeplegen
eerste middelklaagt dat de bewijsmiddelen 11 en 12 onvoldoende redengevend zijn voor het onder 1 bewezen verklaarde, voor zover inhoudende “(vervolgens) met een mes hem in de keel of hals te snijden tengevolge waarvan [slachtoffer 1] is komen te overlijden”.
elk op zich dan wel in combinatie. [2]
tweede middelklaagt dat het hof de als bewijsmiddel 52 gebezigde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gedenatureerd door aan die verklaring een andere inhoud te geven dan daaraan in redelijkheid toekomt.
derde middelbevat de klacht dat het hof “algemeen geldende en/of jurisprudentiële motiveringsplichten” niet heeft nageleefd. Daartoe wordt betoogd dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd dat bij de door de rechter-commissaris gehouden schouw is geconstateerd dat de getuigen vanwege het ontbreken van licht op en rond de plaats delict (de dam) niet méér hebben kunnen waarnemen dan twee auto’s en zeker geen – meer specifiek – aan te duiden personen. De concrete klacht is dat het hof de bewijsmiddelen 29a t/m 33, die betrekking hebben op beweerdelijke waarnemingen in het donker, voor het bewijs heeft gebruikt, zonder aandacht te besteden aan de bewijswaardering en het door de verdediging gevoerde verweer (pleitnota nrs. 26 t/m 32) dat kennelijk strekt tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [getuige 1] wegens de onbetrouwbaarheid van hetgeen hij stelt te hebben waargenomen en de daarop gebaseerde informatie van derden.
vierde middelwordt in de eerste plaats geklaagd dat het hof heeft verzuimd met een begrijpelijke motivering duidelijk te maken waarom het geloof hecht aan de verklaringen van [betrokkene 2] over het door de verdachte en [medeverdachte 1] tonen van het lichaam van [slachtoffer 2] aan [medeverdachte 2] .