Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
14 april 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden uit 2010, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor het opzettelijk onttrekken van eigen goed aan een pandrecht en het meermalen onjuist of onvolledig doen van belastingaangifte met als doel te weinig belasting te betalen.
De Hoge Raad beoordeelde of de aangevoerde nieuwe feiten en bescheiden, waaronder een brief van het Finanzamt Bad Bentheim over de belastingplicht van werknemers en de toepassing van de 183-dagen-regeling, een novum vormen dat een herziening rechtvaardigt. De Hoge Raad oordeelde dat deze feiten niet nieuw zijn, deels reeds bekend waren bij het hof en deels rechtens juist zijn, zodat zij geen aanleiding geven tot herziening.
Ook het verweer over het misbruik van de G-rekening werd niet onderbouwd met nieuwe, overtuigende argumenten. Daarnaast werden nieuwe bescheiden die na de aanvraag werden overgelegd niet in aanmerking genomen vanwege onvoldoende precisie over hun relevantie.
Daarmee concludeerde de Hoge Raad dat de aanvraag kennelijk ongegrond is en wees deze af, waarmee de eerdere veroordeling en straf ongewijzigd blijven.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en handhaaft de veroordeling en straf.