Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
31 mei 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor het uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verschaffen van verblijf aan vreemdelingen door het opstellen en overhandigen van valse samenlevingscontracten en het indienen van aanvragen voor verblijfsvergunningen. Het hof had geoordeeld dat het verblijf van de betrokken vreemdelingen wederrechtelijk was, omdat zij langer dan toegestane termijnen in Nederland verbleven en de aanvragen gebaseerd waren op valse gegevens.
De verdediging stelde dat het verblijf rechtmatig was vanaf het moment van het indienen van de aanvraag en dat het handelen van de verdachte gericht was op het verkrijgen van rechtmatig verblijf, zodat geen sprake kon zijn van hulp bij wederrechtelijk verblijf. De Hoge Raad verwierp dit verweer en oordeelde dat het indienen van een aanvraag op basis van valse gegevens niet kan leiden tot rechtmatig verblijf en dat het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning mede valt onder het begrip 'zich verschaffen van verblijf' in de zin van art. 197a lid 2 Sr.
De Hoge Raad bevestigde hiermee de strafbaarheid van het behulpzaam zijn bij het indienen van valse aanvragen en verwierp het cassatieberoep van de verdachte. Het arrest benadrukt dat het vreemdelingenrechtelijke rechtmatig verblijf niet ontstaat door louter het indienen van een aanvraag op valse gronden.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; het behulpzaam zijn bij het indienen van een valse aanvraag voor een verblijfsvergunning is strafbaar als hulp bij wederrechtelijk verblijf.