Belanghebbende, onderdeel van een internationaal concern, had het recht verworven om een complex aan immateriële activa, het zogenaamde Format, wereldwijd te exploiteren. Voor het gebruik van dit Format in Spanje betaalde de Spaanse vaste inrichting franchisefees aan belanghebbende. De Inspecteur verhoogde de inhaalverliezen door deze franchisefees mee te rekenen, hetgeen de rechtbank bevestigde.
De Hoge Raad oordeelt dat bij de berekening van de winst waarvoor aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt verleend, geen rekening moet worden gehouden met interne royaltybetalingen zoals franchisefees, conform het arrest BNB 1986/239 en het belastingverdrag met Spanje. Wel dienen de daadwerkelijke kosten voor de aanschaf van het Format aan de Spaanse vaste inrichting toegerekend te worden.
De rechtbank had de toerekening van de afschrijvingskosten gebaseerd op het actuele gebruik van het Format, maar de Hoge Raad stelt dat dit onjuist is. De juiste methode is het bepalen van het deel van de aanschafprijs dat oorspronkelijk aan de Spaanse markt toerekenbaar was. De zaak wordt daarom vernietigd en terugverwezen voor een correcte berekening.
De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht wordt aan belanghebbende vergoed.