Uitspraak
gevestigd te Etten-Leur,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Uitgangspunten in cassatie
Daartoe hield IMG zich onder meer bezig met ‘het gezamenlijk ten behoeve van en voor rekening van de individuele leden afzonderlijk plaatsen van orders, het doen produceren van meubelen en woningtextielzaken’.
[verweerster] was lid van IMG.
Kort weergegeven was de rechtbank van oordeel dat moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het opzeggingsbesluit omdat [verweerster] niet binnen de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW Pro daarvan de nietigheid heeft ingeroepen, en dat [verweerster] onvoldoende bijkomende omstandigheden heeft gesteld die meebrengen dat toepassing van het voor rechtsgeldig te houden besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
4.Beoordeling van het middel in het principale beroep
datoordeel kunnen dragen.
5.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
Deze klacht slaagt. Naar de vaststelling van het hof in rov. 3.2 heeft [verweerster] , voor zover hier van belang, alleen een verklaring voor recht gevorderd dat de opzegging met onmiddellijke ingang onrechtmatig was, alsmede verwijzing naar de schadestaatprocedure. Door het noemen van een termijn van ten minste een half jaar heeft het hof een oordeel gegeven dat, mede gelet op de verwijzing naar rov. 3.4.6 in het dictum van zijn arrest, kennelijk aldus moet worden opgevat dat IMG niet onrechtmatig zou hebben gehandeld indien het een opzegtermijn van minimaal een half jaar in acht zou hebben genomen. Daarmee heeft het een beslissing gegeven die van invloed is op de schadestaatprocedure zonder dat dit een grondslag had in het partijdebat. Het hof mocht een zodanige beslissing niet geven zonder partijen de gelegenheid te hebben gegeven zich daarover uit te laten.
4.Beslissing
3 juni 2016.