Uitspraak
gevestigd te Nijmegen,
gevestigd te Eindhoven,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
3 juni 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de curator in het faillissement van een vennootschap tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De curator stelde dat een betaling door de directeur van de gefailleerde BV aan de huisadvocaat enkele weken voor het faillissement onrechtmatig was en onder de actio pauliana viel.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en het arrest van het hof en behandelt de vraag of de betaling als onverplicht kan worden aangemerkt en of aan de stelplicht en bewijslast omtrent benadeling is voldaan. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van de curator en veroordeelt hem in de proceskosten, inclusief wettelijke rente indien niet tijdig voldaan. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de curator wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof bevestigd.