Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Beoordeling van het cassatieberoep
om niet. In dat geval is alleen de wetenschap van [betrokkenen] relevant (aldus s.t. nr. 12) en wordt op grond van art. 45 Fw Pro vermoed dat [betrokkenen] wisten of behoorden te weten dat benadeling van de schuldeisers het gevolg van de betalingen zou zijn. Het is derhalve aan [betrokkenen] om dat vermoeden te weerleggen. Ten aanzien van VMBS geldt op grond van art. 42 lid 3 Fw Pro dat, nu het gaat om rechtshandelingen om niet, op haar de verplichting rust te stellen en zo nodig te bewijzen dat zij wist noch behoorde te weten dat van de betalingen benadeling van schuldeisers het gevolg zou zijn. Door dit een en ander te miskennen heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het onderdeel.
dat men vervolgens een eigen wijze van verwerking en van interne boeking en verrekening had met de andere vennootschappen en privé. [7]
alszij wetenschap had gehad van het deposito op de Rabobank wellicht nog aanspraak had willen maken op het bedrag van € 100.000,= kan daaraan inderdaad, zoals het hof overweegt, niet afdoen. Verder rijst de vraag hoe die stelling kan bijdragen aan de wetenschap van benadeling zijdens VMBS. De klacht maakt immers niet duidelijk waarom genoemde hypothetische aanspraak bekend was c.q. had moeten zijn aan VMBS.