Deze zaak betreft een geschil tussen Stichting Alcatel-Lucent Pensioenfonds en Alcatel-Lucent Nederland B.V. en Alcatel-Lucent Enterprise Netherlands B.V. over de betalingsverplichtingen van de werkgever jegens het pensioenfonds na opzegging van de uitvoeringsovereenkomst.
De uitvoeringsovereenkomst, gesloten in 2008, regelde de pensioenuitvoering en herstelplannen vanwege het niet voldoen aan het wettelijk vereiste eigen vermogen. Alcatel-Lucent zegde de overeenkomst op in 2010 en erkende betalingsverplichtingen tot uiterlijk 2023 volgens het herstelplan. Het pensioenfonds vorderde daarnaast betaling van afwikkelkosten, indexatiekosten en andere premies, welke door de kantonrechter en het hof werden afgewezen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft beslist over de omvang van de betalingsverplichtingen na opzegging, de uitleg van de overeenkomst volgens de Haviltex-maatstaf en de rol van redelijkheid en billijkheid. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het hof Amsterdam voor nadere beoordeling, met nadruk op de vraag of aanvullende betalingsverplichtingen naast het herstelplan bestaan en de gevolgen van de opzegging in het kader van een duurovereenkomst.
De Hoge Raad benadrukt dat de opzegging van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd niet zonder meer leidt tot het vervallen van alle verplichtingen en dat de belangen van het pensioenfonds en de deelnemers meegewogen moeten worden. Het arrest is gewezen door vijf raadsheren en op 10 juni 2016 uitgesproken.