AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Waarde bepaling maatschapsaandeel echtgenote bij nalatenschap in gemeenschap van goederen
Deze zaak betreft de waardering van het maatschapsaandeel van de echtgenote in de nalatenschap van haar overleden echtgenoot, die samen een agrarische onderneming in maatschapvorm dreven. De echtgenoten waren in gemeenschap van goederen gehuwd en de maatschapsovereenkomst bevatte een voortzettingsbeding en bepalingen over de waardering van het maatschapsaandeel bij beëindiging.
Het geschil richtte zich op de vraag of de waarde van het aandeel van de echtgenote in het ondernemingsvermogen relevant is voor de omvang van de nalatenschap en of deze waarde moet worden vastgesteld op basis van de overnamewaarde of de liquidatiewaarde. Het hof oordeelde dat de waarde van het maatschapsaandeel van de echtgenote onderdeel is van de ontbonden gemeenschap van goederen en dat de waardering moet plaatsvinden op de liquidatiewaarde, omdat de maatschap door het overlijden is ontbonden en de echtgenote niet meer verplicht is de onderneming door een ander te laten overnemen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep in cassatie. De uitspraak benadrukt dat de bepalingen in de maatschapsovereenkomst over de waardering en het voortzettingsbeding bepalend zijn, maar dat artikel 21 lid 4 SuccessiewetPro 1956 voorrang heeft bij de waardering van het maatschapsaandeel in de nalatenschap. De proceskosten werden niet aan een van de partijen opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de waarde van het maatschapsaandeel van de echtgenote in de nalatenschap op de liquidatiewaarde moet worden gesteld.
Uitspraak
29 januari 2016
nr. 15/02619
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X]te [Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 29 april 2015, nr. 14/00033, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 12/4799) betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in het recht van successie ter zake van een verkrijging uit de nalatenschap van [A] (hierna: erflater). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2.Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Erflater was ten tijde van zijn overlijden op 9 mei 2006 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [B] (hierna: de echtgenote).
2.1.2.
Erflater en de echtgenote hebben tot het overlijden van erflater in de vorm van een maatschap een agrarische bedrijf gedreven. In de maatschapsovereenkomst is in artikel 10 vermeldPro dat de maatschap onder meer eindigt door het overlijden van een maat. Tevens is in dat artikel bepaald dat de maat die overblijft het recht heeft het bedrijf van de maatschap voort te zetten (hierna: voortzettingsbeding). De wijze waarop in geval van voortzetting de overnamesom moet worden vastgesteld, is neergelegd in artikel 11 vanPro de maatschapsovereenkomst. De echtgenote heeft na het overlijden van erflater van dit voortzettingsbeding gebruik gemaakt.
2.1.3.
Voor het Hof was in geschil of de waarde van het aandeel van de echtgenote in het ondernemingsvermogen van belang is bij het bepalen van de omvang van de nalatenschap van erflater, en zo ja, op welke waarde dat aandeel moet worden bepaald.
2.2.
Het Hof heeft met betrekking tot het geschil in hoger beroep het volgende geoordeeld.
2.2.1.
Het Hof heeft vooropgesteld dat alvorens de waarde van de nalatenschap kan worden bepaald, eerst de omvang van de ontbonden gemeenschap van goederen dient te worden bepaald. De waarde van de nalatenschap omvat de helft van de waarde van de ontbonden gemeenschap van goederen.
2.2.2.
Uit de arresten van de Hoge Raad van 15 januari 1961, NJ 1962/48, en van 3 mei 1968, NJ 1968/267, volgt dat de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot niet is gerechtigd tot de vennootschappelijke goederen. Tot de huwelijksgemeenschap behoort wel de waarde van zijn aandeel in het vermogen van de in de maatschap gedreven onderneming (hierna: het maatschapsaandeel). Gelet op deze jurisprudentie was erflater dus gerechtigd tot de waarde van het maatschapsaandeel van zijn echtgenote en was de echtgenote gerechtigd tot de waarde van het maatschapsaandeel van de erflater. Het primaire betoog van belanghebbende, dat bij het bepalen van de omvang van de nalatenschap de waarde van het aandeel in het ondernemingsvermogen van de echtgenote niet relevant is, kan dan ook niet worden gevolgd, aldus het Hof.
2.2.3.
Voor de waardering van het maatschapsaandeel van de echtgenote moet in beginsel worden uitgegaan van de waarderingsgrondslagen zoals vermeld in de maatschapsovereenkomst. Hierbij zijn de bepalingen die regelen op welk gedeelte van het vermogen de maten bij beëindiging van de maatschap bij liquidatie, uittreden of overlijden recht hebben, van bijzonder belang. Een in de maatschapsovereenkomst opgenomen verblijvens- of overnemingsbeding beïnvloedt daarom de waarde van het maatschapsaandeel en daarmee de waarde van de huwelijksgemeenschap, aldus nog steeds het Hof.
2.2.4.
Buiten geschil is dat de waarde van het maatschapsaandeel van erflater, met inachtneming van hetgeen is vermeld in de maatschapsovereenkomst, moet worden berekend op de door de echtgenote te betalen overnamesom in geval van voorzetting van het bedrijf van de maatschap.
2.2.5.
De waarde van het maatschapsaandeel van de echtgenote dient met toepassing van artikel 21, lid 4, van de Successiewet 1956 (tekst 2006) te worden gesteld op de liquidatiewaarde. Dit omdat de maatschap tussen erflater en de echtgenote door het overlijden van de erflater is ontbonden; op de echtgenote rustte na het overlijden van erflater derhalve niet meer de verplichting haar onderneming door een ander te laten overnemen tegen de overnamewaarde, aldus nog steeds het Hof.
Het beroep op de uitspraak van Hof Amsterdam van 28 juli 2011, nrs. 09/00720 tot en met 09/00722, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6269, is door het Hof verworpen omdat in dat geval de langstlevende echtgenoot de maatschap heeft voortgezet met een zoon en in de maatschapsovereenkomst was bepaald dat de zoon het recht had het aandeel van de langstlevende echtgenoot over te nemen tegen de overnamewaarde.
2.3.
De klachten komen op tegen de hiervoor in onderdeel 2.2 weergegeven oordelen van het Hof. De klachten falen, aangezien het Hof op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven.
3.Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.