Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2016:1171

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2016
Publicatiedatum
10 juni 2016
Zaaknummer
16/00711
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 288 lid 1 onder b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake WSNP en goede trouw schuldenaar

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoeker verworpen en niet-ontvankelijk verklaard. Het geding betreft een geschil over de toelating tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) en de beoordeling van de goede trouw van de schuldenaar, zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 onder Pro b van de Faillissementswet.

De procedure begon bij de rechtbank Rotterdam, die op 18 november 2015 een vonnis heeft gewezen, gevolgd door een arrest van het gerechtshof Den Haag op 2 februari 2016. Verzoeker stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk niet behandeld omdat de klachten onvoldoende belang hadden of klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden. Op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering en na advies van de Procureur-Generaal is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak bevestigt dat niet elk cassatieberoep wordt toegelaten, vooral wanneer het belang van de appellant onvoldoende is of de klachten evident ongegrond zijn. Dit arrest draagt bij aan de jurisprudentie over de toepassing van de hardheidsclausule en de beoordeling van de goede trouw in WSNP-zaken.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gegrondheid van de klachten.

Uitspraak

10 juni 2016
Eerste Kamer
16/00711
EE/RB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/10/13/1286 F van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2015;
b. het arrest in de zaak 200.180.656/01 van het gerechtshof Den Haag van 2 februari 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot toepassing van art. 80a lid 1 RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 5 - 9).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
10 juni 2016.