Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
14 juni 2016.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 maart 2015. Echter heeft de verdachte geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn, zoals vereist op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Hoge Raad heeft vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en vastgesteld dat het ontbreken van een schriftuur met middelen van cassatie betekent dat het beroep niet ontvankelijk kan worden verklaard. Dit leidt ertoe dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaart.
Het arrest is gewezen door de vice-president van de Hoge Raad als voorzitter en twee raadsheren, en is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 14 juni 2016.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.