Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 april 2015, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2004 tot en met 2009 behandelde.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en de conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de klachten oordeelde de Hoge Raad dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad zag geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Fierstra, Groeneveld en Wortel en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.