Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Hollandvan 4 juni 2015, nr. HAA 15/1042 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 15 december 2014.
Hoge Raad
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland inzake het verzet tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De klacht van belanghebbende werd door de Hoge Raad beoordeeld, waarbij de Staatssecretaris van Financiën een verweerschrift indiende en belanghebbende een conclusie van repliek.
De Hoge Raad oordeelde dat de klacht niet tot cassatie kan leiden omdat deze geen rechtsvragen bevat die relevant zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, zoals bedoeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Daarom was geen nadere motivering vereist.
Verder achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig om proceskosten aan belanghebbende op te leggen. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Fierstra, Groeneveld en Wortel en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.