Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 26 januari 2016, nr. SGR 15/4947 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 26 november 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie beoordeeld dat was ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Het betrof een bestuursrechtelijke en belastingrechtelijke kwestie waarbij belanghebbende verzet had aangetekend tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank.
De Hoge Raad heeft vastgesteld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het cassatieberoep had ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het beroep, dan wel omdat de klachten evident niet tot cassatie konden leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is gewezen door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), M.A. Fierstra en M.E. van Hilten, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2017.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.