Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2016:1233

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juni 2016
Publicatiedatum
17 juni 2016
Zaaknummer
16/01256
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 288 lid 1 onder b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens gebrek aan belang en gegrondheid

In deze zaak heeft verzoekster tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland en het arrest van het gerechtshof als feitelijke instanties in het geding.

De Procureur-Generaal heeft geadviseerd het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering, omdat verzoekster onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en de aangevoerde klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad volgt dit advies en oordeelt dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Daarom wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 17 juni 2016 gewezen en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Uitspraak

17 juni 2016
Eerste Kamer
16/01256
LZ/RB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/16/401425 / FT RK 15/2133 van de rechtbank Midden-Nederland van 30 november 2015;
b. het arrest in de zaak 200.181.608 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 februari 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a lid 1 RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 5 – 9).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
17 juni 2016.