ECLI:NL:HR:2016:1276

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2016
Publicatiedatum
23 juni 2016
Zaaknummer
15/01171
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van schadevergoeding op basis van onrechtmatige daad en invloed van schadeverzekeringsuitkering

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 24 juni 2016 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tussen de vennootschap Deere & Co. en Moramplastics B.V. De zaak betreft de vaststelling van schadevergoeding op basis van onrechtmatige daad, waarbij de invloed van een schadeverzekeringsuitkering centraal staat. De eiser, Deere, vorderde een schadevergoeding van € 2.250.000,-- van Moramplastics, als gevolg van een brand die op 11 maart 2001 in het bedrijfspand van Moramplastics was ontstaan. Deze brand had geleid tot de vernietiging van landbouwmachines van Deere, die in een naastgelegen opslagloods waren opgeslagen. Deere had het brandrisico verzekerd en ontving een uitkering van de verzekeraar van € 7.969.838,16, terwijl het eigen risico USD 2 miljoen bedroeg.

De rechtbank had de vordering van Deere grotendeels toegewezen, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigde dit vonnis en wees de vordering af. Het hof oordeelde dat de schade die Deere had geleden, niet alleen afhankelijk was van de verzekeringsuitkering, maar dat ook de totale schadeomvang moest worden vastgesteld. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de schadevergoeding niet alleen gebaseerd kon worden op de verkoopwaarde van de verloren goederen, maar dat de inkoopwaarde bepalend was voor de schadebegroting. Aangezien de verzekeraar een hoger bedrag had uitgekeerd dan de door het hof begrote schade, was er geen schade die door Moramplastics vergoed diende te worden.

De Hoge Raad verwierp het beroep van Deere en oordeelde dat de vordering van Deere op Moramplastics niet kon worden toegewezen, omdat de schade door de verzekeringsuitkering volledig was vergoed. De kosten van het geding in cassatie werden aan Deere opgelegd, begroot op € 6.524,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Uitspraak

24 juni 2016
Eerste Kamer
15/01171
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
de vennootschap naar buitenlands recht DEERE & CO.,
gevestigd te Moline, Illinois, Verenigde Staten van Amerika,
EISERES tot cassatie,
advocaten: mr. R.S. Meijer en mr. D.A. van der Kooij,
t e g e n
MORAMPLASTICS B.V.,
gevestigd te ’s-Heerenberg,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. F.E. Vermeulen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Deere en Moramplastics.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 88877/HA ZA 07-958 van de rechtbank te Zutphen van 9 april 2008, 21 januari 2009, 24 juni 2009, 16 maart 2011 en 9 mei 2012;
b. het arrest in de zaak 200.112.725 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 november 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen voornoemd arrest van het hof heeft Deere beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Moramplastics heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Deere mede door mr. M.B.F. Canisius en voor Moramplastics mede door mr. S. Wissing.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaten van Deere hebben bij brief van 22 april 2016 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 11 maart 2001 is in het bedrijfspand van Moramplastics brand ontstaan. De brand is overgeslagen naar een naastgelegen opslagloods. In die loods waren voor de verkoop in Europa bestemde landbouwmachines van Deere opgeslagen, die door de brand verloren zijn gegaan.
(ii) Deere had het brandrisico verzekerd. De verzekeraar heeft de schade van Deere met behulp van expertiserapporten begroot op € 10.219.838,16 (€ 10.144.709,17 aan verkoopwaarde van de verloren gegane goederen en € 75.128,99 aan bijkomende kosten).
De schadeverzekeraar heeft aan Deere een bedrag van € 7.969.838,16 uitgekeerd. Volgens de polis had Deere een eigen risico van USD 2 miljoen.
3.2.1
In dit geding vordert Deere dat Moramplastics wordt veroordeeld tot betaling van € 2.250.000,-- met rente en kosten. Deere heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat Moramplastics onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld doordat zij diverse voorschriften van de aan haar verleende milieuvergunning heeft overtreden en ook anderszins onvoldoende maatregelen heeft getroffen om uitbreiding en overslag van de brand te voorkomen.
De gevorderde hoofdsom betreft het eigen risico van de schadeverzekering van Deere (zie hiervoor in 3.1 onder (ii)), dat volgens Deere omgerekend in euro’s € 2.225.000,-- bedraagt.
De rechtbank heeft in haar eindvonnis de vordering grotendeels toegewezen.
3.2.2
Het hof heeft onder meer het eindvonnis vernietigd en de vordering afgewezen. Het heeft, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
Uit de vordering en de onderbouwing daarvan volgt dat Deere stelt jegens Moramplastics aanspraak te hebben op schadevergoeding voor zover de door de brand geleden schade nog niet door de verzekeraar is vergoed.
Deere stelt deze resterende schade op een bedrag gelijk aan het door de verzekeraar op de uitkering ingehouden eigen risico. Die redenering kan niet zonder meer worden gevolgd. Bij de beoordeling van de voor Deere eventueel nog resterende schade zal immers eerst moeten worden vastgesteld wat de totale omvang van de door Deere door de brand geleden schade is.
Daarop dient het door de verzekeraar uitgekeerde bedrag in mindering te worden gebracht. Indien dan nog een positief saldo resteert, betreft dat de (resterende) schade die – veronderstellenderwijs uitgaande van de aansprakelijkheid van Moramplastics – door Moramplastics zou moeten worden vergoed. Bij de beoordeling van de schadeomvang in de verhouding tussen Deere en Moramplastics is het hof niet gebonden aan de door de (schade-expert van de) verzekeraar van Deere vastgestelde schadeomvang en daarbij gehanteerde uitgangspunten, alleen al omdat deze vaststelling mede is beïnvloed en bepaald door de inhoud van de verzekeringsovereenkomst (ingevolge deze overeenkomst heeft Deere aanspraak op de verkoopwaarde van de door de brand vernietigde zaken), waarbij Moramplastics geen partij is. (rov. 3.4)
Tussen partijen is niet in geschil dat de door brand verloren gegane goederen handelsvoorraad van Deere betrof. Het is het meest met de aard van deze schade in overeenstemming om de omvang daarvan te begroten op de kosten die Deere heeft (of zou hebben) moeten maken om deze handelsvoorraad te vervangen. Dit betreft de inkoopkosten van vervangende goederen, eventueel te vermeerderen met bijkomende kosten. Daarnaast zou Deere ook aanspraak kunnen maken op vergoeding van gederfde winst indien zij als gevolg van de brand minder goederen heeft kunnen verkopen, maar dit laatste is gesteld noch gebleken. Dit betekent dat niet de verkoopwaarde van de goederen bepalend is bij de begroting van de schade, maar de inkoopwaarde. Door het kunnen inkopen van een vervangende handelsvoorraad was Deere immers weer in dezelfde toestand als wanneer de brand niet zou hebben plaatsgevonden. (rov. 3.5)
De inkoopwaarde van de goederen bedraagt € 7.514.599,39. Indien daarbij worden opgeteld de door Moramplastics niet betwiste, door de verzekeraar in de berekening meegenomen bijkomende kosten van € 75.128,99, dient de door Deere geleden schade te worden begroot op € 7.589.728,38. Deere heeft gevorderd dat aan haar wordt vergoed de schade voor zover die nog niet door de verzekeraar is vergoed. Nu door de verzekeraar een hoger bedrag is uitgekeerd dan de hiervoor begrote schade, betekent dit dat er geen door Moramplastics aan Deere te vergoeden schade resteert. Het door de verzekeraar op haar uitkering aan Deere in mindering gebrachte eigen risico betreft geen schade die Moramplastics zou moeten vergoeden. In de verhouding tussen Moramplastics en Deere is immers niet van belang welk bedrag de verzekeraar op de schade-uitkering in mindering heeft gebracht, maar is slechts relevant welk bedrag aan Deere ter vergoeding van de door haar geleden schade is betaald. Nu dit bedrag hoger is dan de in deze procedure begrote schade, dient de vordering van Deere te worden afgewezen. (rov. 3.7)
3.3.1
Onderdeel 1 klaagt dat het hof in de rov. 3.4 en 3.7 heeft miskend dat bij de vaststelling van de voor vergoeding door de laedens ingevolge art. 6:162 en 6:95-6:97 BW in aanmerking komende schade, de door de gelaedeerde van derden in verband met zijn schade verkregen voordelen niet zonder meer op die geleden schade in mindering mogen worden gebracht, maar uitsluitend indien en voor zover (i) art. 6:100 BW daarvoor een grondslag biedt, dan wel (ii) een schadeverzekeraar, door die geleden schade aan de gelaedeerde te vergoeden, op de voet van art. 7:962 BW in diens schadevergoedingsvordering wordt gesubrogeerd.
3.3.2
In het bestreden oordeel (rov. 3.7) heeft het hof de verzekeringsuitkering aangemerkt als strekkend tot vergoeding van de door Deere geleden schade waarvoor Moramplastics, naar in cassatie veronderstellenderwijs moet worden aangenomen, aansprakelijk is uit onrechtmatige daad. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu het gaat om een schadeverzekering en het onderdeel geen vindplaatsen vermeldt van stellingen in feitelijke instanties waarin is betoogd dat de verzekeringsuitkering een andere strekking heeft. Deere heeft in cassatie – terecht – geen klachten gericht tegen het oordeel van het hof dat het bij de beoordeling van de schadeomvang in de verhouding tussen Deere en Moramplastics niet is gebonden aan de schadeomvang volgens de verzekeringsovereenkomst, waarbij Moramplastics geen partij is (rov. 3.4). Deere bestrijdt in cassatie niet de begroting door het hof van haar totale schade in de zin van de art. 6:95-6:97 BW op € 7.514.599,39 (cassatiedagvaarding, p. 4). Anders dan onderdeel 1 veronderstelt, is die schade dan door de verzekeringsuitkering geheel vergoed. Daarom faalt de klacht van onderdeel 1.
3.3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Deere in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Moramplastics begroot op € 6.524,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
24 juni 2016.