ECLI:NL:HR:2016:129

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 januari 2016
Publicatiedatum
28 januari 2016
Zaaknummer
14/03975
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15a Wet op de loonbelasting 1964Art. 27 Belastingverdrag Nederland-BelgiëArtikel 9 Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen herrekening Belgisch loon met 30%-regeling bij grensarbeider

Belanghebbende, een grensarbeider die sinds 1 januari 2009 in Nederland woont en in België werkt bij een werkgever met vaste inrichting in Nederland, verzocht samen met zijn werkgever om toepassing van de 30%-regeling. De Inspecteur keurde dit verzoek goed voor de periode 2009-2018. Voor het jaar 2009 bedroeg het totale loon € 222.151, waarvan € 151.462 werd verdiend in België en € 70.689 in Nederland.

Bij de belastingaangifte herrekende belanghebbende het Belgische loon met toepassing van de 30%-regeling, wat leidde tot een hogere algemene compensatie voor grensarbeiders. De Rechtbank oordeelde echter dat voor de berekening van de algemene compensatieregeling het Belgische loon zonder toepassing van de 30%-regeling moet worden genomen, omdat geen aparte vergoeding voor extraterritoriale kosten was overeengekomen.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de vrijstelling voor extraterritoriale kosten niet kan worden toegepast als geen afzonderlijke vergoeding is overeengekomen. Een administratieve splitsing van het loon in loon en vergoeding is dan niet toegestaan. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard. De Hoge Raad veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel dat het Belgische loon niet herrekend mag worden met de 30%-regeling wordt bevestigd.

Uitspraak

29 januari 2016
nr. 14/03975
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 26 juni 2014, nr. AWB 13/7474, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 29 september 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
Na afloop van de daartoe gestelde termijn heeft belanghebbende een tweede reactie op de conclusie ingediend. Op dit stuk slaat de Hoge Raad geen acht.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende woont sinds 1 januari 2009 in Nederland. Hij werkte in dat jaar in loondienst bij de in België gevestigde naamloze vennootschap [A] N.V. (hierna: de werkgever). De werkgever beschikte over een vaste inrichting in Nederland. Belanghebbende verrichtte zijn werkzaamheden zowel in België als in Nederland.
2.1.2.
Belanghebbende heeft samen met de werkgever verzocht om toepassing van de 30%-regeling ingevolge artikel 15a, lid 1, aanhef en letter j, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2009, hierna: de Wet). Met dagtekening 5 februari 2009 heeft de Inspecteur het verzoek ingewilligd voor de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2018.
2.1.3.
Ingevolge artikel 27, paragraaf 1, van het Belastingverdrag Nederland-België van 5 juni 2001 (hierna: het Verdrag), heeft belanghebbende recht op een door Nederland te verlenen vermindering van belasting (hierna: de algemene compensatieregeling voor grensarbeiders).
2.1.4.
De looninkomsten van belanghebbende bedroegen in 2009 in totaal € 222.151. Over de in België gewerkte dagen heeft belanghebbende een bedrag van € 151.462 genoten (hierna: het Belgische loon); over de in Nederland gewerkte dagen € 70.689. De Inspecteur heeft belanghebbende bij de vaststelling van diens aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2009 aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend voor het Belgische loon.
2.1.5.
Bij zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2009 heeft belanghebbende voor de berekening van de belastingvermindering op grond van de algemene compensatieregeling voor grensarbeiders het Belgische loon met toepassing van de 30%-regeling herrekend tot een bedrag van € 106.023. Deze herrekening leidde tot een hogere algemene compensatie voor grensarbeiders dan zonder toepassing van de 30%-regeling op het Belgische loon het geval zou zijn geweest.
2.2.
De Rechtbank heeft vastgesteld dat belanghebbende met de werkgever voor de in België te werken dagen geen vergoeding van extraterritoriale kosten afzonderlijk van het loon is overeengekomen. Naar het oordeel van de Rechtbank dient voor de berekening van de algemene compensatie voor grensarbeiders dan te worden uitgegaan van het Belgische loon zonder toepassing van de 30%-regeling en is derhalve voor herrekening van het Belgische loon met toepassing van de 30%-regeling geen plaats.
2.3.
Het middel van belanghebbende keert zich tegen het hiervoor in onderdeel 2.2 vermelde oordeel van de Rechtbank. Het middel faalt aangezien dat oordeel juist is. In artikel 15a, aanhef en letter j, van de Wet zijn vrijgesteld vergoedingen ter zake van extraterritoriale kosten. Wanneer geen vergoeding is overeengekomen kan die vrijstelling niet worden toegepast. Voor (administratieve) splitsing van het loon van een werknemer in een deel loon en een deel dat de vergoeding vormt voor extraterritoriale kosten is dan geen plaats (vgl. de toelichting bij artikel 9 van Pro het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, Besluit van 20 december 2000, Stb. 2000, 640, blz. 20).

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.