Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
24 juni 2016.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak heeft verzoekster tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld. Het geschil betreft een insolventieprocedure met betrekking tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), waarbij tussentijdse beëindiging en het ontstaan van nieuwe schulden centraal staan.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk niet behandeld, omdat verzoekster klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep en de aangevoerde klachten niet geschikt zijn om tot cassatie te leiden. Dit oordeel is mede gebaseerd op het standpunt van de Procureur-Generaal, die eveneens tot niet-ontvankelijkheid heeft geadviseerd.
De Hoge Raad heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering. Hiermee komt een einde aan de procedure in cassatie, waarbij het arrest van het gerechtshof in stand blijft.
Het arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens (voorzitter), Tanja-van den Broek, en Du Perron, en in het openbaar uitgesproken door De Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan kans op succes.