Conclusie
om alsnog met een met stukken onderbouwd plan van aanpak te komen, op grond waarvan de rechtbank mogelijk alsnog zou kunnen overwegen de termijn van de schuldsaneringsregeling voor de maximale duur te verlengen.’ [verzoekster] heeft vervolgens de rechtbank bij e-mail van 30 november 2015 bericht dat zij in de loop van 2016 en in januari 2017 in totaal € 3.000,-- kan aflossen en dat zij budgetbeheer heeft opgestart. Daar zal worden uitgezocht of er nog ruimte is om extra af te lossen.
Onderdeel 1komt er – samengevat – op neer dat het oordeel van de rechtbank en het hof dat de schuldsaneringsregeling tussentijds moet worden beëindigd onbegrijpelijk is, gelet op het bij vonnis van de rechtbank van 1 april 2015 gegeven oordeel dat geen sprake was van een dusdanig ernstige tekortkoming dat dit tot weigering van een schone lei zou moeten leiden. De beslissing van de rechtbank om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen, die door het hof is bekrachtigd, is strijdig met die vaststelling.
onderdeel 2wordt aangevoerd dat aan [verzoekster] ten onrechte de eis is gesteld dat zij een ‘concreet en realistisch plan van aanpak’ zou overleggen. Onder verwijzing naar de conclusie van A-G Timmerman naar aanleiding van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over verlenging van de schuldsaneringsregeling (ECLI:NL:PHR:2014:1764), wordt betoogd dat de wet geen ruimte biedt voor het stellen van een dergelijke verplichting.
Onderdeel 3richt zich tegen rov. 3.3 van het vonnis van de rechtbank van 17 december 2015. Aangevoerd wordt dat [verzoekster] in een verlengde periode voldoende gelegenheid zou hebben om de schulden in te lopen, terwijl het feit dat zij in periode van 1 april 2015 tot 28 oktober 2015 geen aflossingen heeft gedaan daar niet aan af doet. De overweging is daarom innerlijk tegenstrijdig volgens het onderdeel. Aangezien het hof deze redenering heeft overgenomen dient het arrest te worden vernietigd.
Aangevoerd wordt verder dat [verzoekster] op de zitting heeft verklaard zich tot de Belastingdienst te hebben gewend om een regeling te treffen. Het hof heeft hieraan kennelijk geen doorslaggevende betekenis toegekend, omdat uit de door [verzoekster] aangeleverde stukken – waaronder met name haar e-mail van 30 november 2015, dat het aflossingsplan bevat – niet blijkt dat zo’n regeling daadwerkelijk is getroffen en/of slagingskans heeft. Het betreffende aflossingsplan is door zowel rechtbank als hof als onvoldoende aangemerkt. Het betreft hier een feitelijke afweging waarover in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden geklaagd. De betreffende overwegingen zijn echter niet onbegrijpelijk en niet onvoldoende gemotiveerd.
In het onderdeel wordt er nog op gewezen dat de verkregen auto ten bate van de boedel kan worden aangewend. Ook de auto is door het hof in zijn beslissing betrokken. Het heeft geoordeeld dat het hebben van de auto tot nieuwe schulden heeft geleid (door het onbetaald laten van de motorrijtuigenbelasting en verzekering) en verwijten [verzoekster] dat zij de bewindvoerder hierover niet heeft ingelicht. Deze overwegingen zijn voldoende begrijpelijk gemotiveerd.