ECLI:NL:HR:2016:1349

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2016
Publicatiedatum
30 juni 2016
Zaaknummer
14/00526
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Uitspraak na prejudiciële beslissing
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EEG) nr. 2658/87Verordening (EG) nr. 948/2009
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt juiste tariefindeling soja-eiwitconcentraat onder post 2309 GN

Deze zaak betreft een bindende tariefinlichting over de classificatie van een soja-eiwitconcentraat, een product verkregen na bewerking van sojaschroot en geschikt als bestanddeel van mengvoer voor jonge kalveren. De discussie betrof de juiste indeling onder de Gecombineerde Nomenclatuur (GN), specifiek post 2309.

Het geschil kwam na een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op 3 maart 2016 oordeelde dat het soja-eiwitconcentraat onder post 2309 van de GN valt. Op basis van deze uitspraak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van belanghebbende gegrond verklaard, de eerdere uitspraken van Hof en Rechtbank vernietigd en het beroep bij de Rechtbank ongegrond verklaard.

De Hoge Raad oordeelde dat de bindende tariefinlichting terecht was gegeven en dat de indeling van het soja-eiwitconcentraat onder post 2309 correct was. Er werden geen proceskosten aan partijen opgelegd. De uitspraak bevestigt de juiste toepassing van de Europese regelgeving en de GN in douanerechtelijke classificatiegeschillen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt eerdere uitspraken en bevestigt de juiste tariefindeling van het soja-eiwitconcentraat onder post 2309 GN.

Uitspraak

8 juli 2016
nr. 14/00526bis
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 19 december 2013, nr. 12/00318, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen, betreffende de bij beschikking ten aanzien van
Customs Support Holland B.V.te
Rotterdam(hierna: belanghebbende) gegeven bindende tariefinlichting.

1.De loop van het geding in cassatie tot dusver

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 13 maart 2015, nr. 14/00526, ECLI:NL:HR:2015:558, BNB 2015/83, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.
Bij arrest van 3 maart 2016, Customs Support Holland B.V., C-144/15, ECLI:EU:C:2016:133, BNB 2016/87, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:
“De gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijke douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 948/2009 van de Commissie van 30 september 2009, moet aldus worden uitgelegd dat een soja-eiwitconcentraat als in het hoofdgeding onder post 2309 van deze nomenclatuur valt.”
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest.

2.Nadere beoordeling van het middel

Uit de hiervoor onder 1 weergegeven verklaring voor recht volgt dat het soja-eiwitconcentraat in de onderwerpelijke bindende tariefinlichting terecht is ingedeeld onder post 2309 van de Gecombineerde Nomenclatuur. Het middel slaagt derhalve. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede de uitspraak van de Rechtbank, en
verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2016.