Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Slotsom
6.Beslissing
5 juli 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin verdachte werd veroordeeld voor diefstal uit een woning op Bonaire. De bewezenverklaring steunt op verklaringen van de benadeelde, technisch sporenonderzoek en een DNA-match van bloedsporen op de plaats delict.
Het Hof stelde vast dat de achterdeur van de woning was geforceerd en dat het bloedspoor op de muur bij de achterdeur met een zeer kleine kans van toeval (minder dan 1 op 1 miljard) overeenkwam met het DNA van verdachte. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het Hof dat verdachte de diefstal heeft gepleegd niet onbegrijpelijk is, mede omdat verdachte geen verklaring heeft gegeven voor het bloedspoor.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis echter uitsluitend wat betreft de strafoplegging vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro. De gevangenisstraf wordt verminderd van zeven jaar tot zes jaar en acht maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen, waarmee het bewezenverklaarde blijft staan.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zes jaren en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het bewezenverklaarde blijft staan.