Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2014 zich niet tussen de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt.
tweede middelvalt in twee klachten uiteen. De
eerste klachthoudt in dat de bewezenverklaring onder 3 ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof het bewijs dat het de verdachte is geweest die het bewezenverklaarde diefstalfeit heeft gepleegd – volgens de steller van het middel – enkel heeft afgeleid uit een ‘hit’ van een bemonsterd DNA-spoor en het DNA-profiel van de verdachte.
-uit een woning, gelegen aan de [a-straat 1], alwaar de verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond - heeft weggenomen
tweede klacht van het tweede middelheeft betrekking op de bewezenverklaring onder 4. Volgens de steller van het middel heeft het hof de bewezenverklaring onder 4 eveneens niet voldoende met redenen omkleed, omdat het bewijs van het daderschap van de verdachte ook hier geheel zou zijn afgeleid van een ‘DNA-hit’.