Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 juli 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor huisvredebreuk in een woning te Wassenaar. Het hof oordeelde dat de woning feitelijk in gebruik was bij de aangeefster, mede op basis van haar koop- en bruikleenovereenkomst en haar verklaring dat zij vrijwel dagelijks bij de woning was en gesprekken voerde over een toekomstige verbouwing.
De verdediging stelde dat de woning niet feitelijk in gebruik was omdat de aangeefster op een ander adres verbleef, de woning niet werd verbouwd en zij haar buurvrouw had gevraagd de woning in de gaten te houden. Het hof verwierp deze stellingen en baseerde zijn oordeel op de samenhang van de omstandigheden en de waardering van het feitenmateriaal.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en het oordeel niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad wijst erop dat de term "in gebruik" in art. 138 Sr Pro moet worden uitgelegd overeenkomstig het feitelijk gebruik en dat het hof dit op juiste wijze heeft beoordeeld.
Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd, waarbij de huisvredebreuk is vastgesteld.