Conclusie
Beslissing omtrent het door de verdediging gevoerde bewijsverweer
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens huisvredebreuk in een woning te Wassenaar. Het hof baseerde zijn oordeel op het feitelijk gebruik van de woning door de aangeefster, onder meer afgeleid uit een koop- en bruikleenovereenkomst en haar verklaringen over dagelijks bezoek en gesprekken met een aannemer over een toekomstige verbouwing.
De verdediging voerde aan dat de woning niet feitelijk in gebruik was, omdat de aangeefster op een ander adres woonde, de koopovereenkomst nog niet definitief was, de woning niet werd verbouwd en de buurvrouw de woning in de gaten hield vanwege leegstand. Het hof verwierp dit verweer en achtte het bewezen dat de woning feitelijk in gebruik was.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof het begrip 'feitelijk gebruik' in art. 138 Sr Pro niet juist heeft uitgelegd en onvoldoende heeft gemotiveerd dat de woning feitelijk in gebruik was. De bruikleen- en koopovereenkomst zijn niet beslissend, en alleen gesprekken over een toekomstige verbouwing zijn onvoldoende concreet om van feitelijk gebruik te spreken. Ook de verklaring dat de aangeefster ongeveer elke dag bij de woning was, is onvoldoende gemotiveerd.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor heroverweging. De uitspraak bevat uitgebreide jurisprudentie over het begrip 'in gebruik' in art. 138 Sr Pro en de relatie met het kraakverbod in art. 138a Sr.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het feitelijk gebruik van de woning.