In deze zaak ging het om het beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 14 juli 2015, betreffende aanslagen onroerendezaakbelastingen, rioolheffing en afvalstoffenheffing van de gemeente Edam-Volendam voor het jaar 2013. De onroerende zaken betroffen adressen aan twee verschillende straten in de gemeente.
De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld. Het oordeel was dat de middelen die zijn voorgesteld geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit was omdat de partij die het cassatieberoep had ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het beroep of omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na het horen van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad daarom het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 29 januari 2016 in het openbaar uitgesproken door drie raadsheren, onder voorzitterschap van C. Schaap.