Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Zoetermeer,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
8 juli 2016.
Hoge Raad
In deze zaak heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag. Het oorspronkelijke verzoekschrift, ingediend op 7 juli 2015, voldeed niet aan de vereisten van art. 426a lid 1 Rv omdat het niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
Verzoeker heeft later, op 5 augustus 2015, alsnog een door een advocaat ondertekend verzoekschrift ingediend, maar dit was na de gestelde termijn van twee weken voor herstel van het verzuim. Bovendien was het verzoekschrift van 23 juli 2015, ook door een advocaat ondertekend, niet identiek aan het oorspronkelijke verzoekschrift, waardoor het verzuim niet op de voorgeschreven wijze was hersteld.
De Hoge Raad oordeelde dat de herstelmogelijkheid volgens vaste rechtspraak vereist dat binnen twee weken na ontvangst van het oorspronkelijke verzoekschrift een door een advocaat ondertekend identiek verzoekschrift wordt ingediend. Omdat dit niet is gebeurd en de termijn was verstreken, werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep. De mededelingen van de griffie konden hieraan niet afdoen, aangezien een advocaat geacht wordt bekend te zijn met de procedurele regels en de gevolgen van niet-naleving daarvan.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens niet-ondertekend verzoekschrift en niet tijdig herstel.