Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
8 juli 2016.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de schuldenaar terecht was uitgesloten van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) omdat hij geen minnelijk traject had gevolgd, zoals vereist in artikel 285 lid 1 onder Pro f van de Faillissementswet (Fw). De rechtbank Noord-Holland had de toelating tot de schuldsanering geweigerd en het gerechtshof Amsterdam had dit oordeel bekrachtigd.
De schuldenaar stelde in cassatie dat het oordeel onjuist was, mede met een beroep op de goede trouw van de schuldenaar en de hardheidsclausule in artikel 288 lid 3 Fw Pro. De Advocaat-Generaal adviseerde primair tot verwerping van het cassatieberoep en subsidiair tot vernietiging en verwijzing.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet leiden tot cassatie en dat het cassatieberoep moet worden verworpen. De Hoge Raad vond geen aanleiding om rechtsvragen te beantwoorden die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Hiermee blijft de afwijzing van de toelating tot de schuldsanering in stand omdat het minnelijk traject niet is gevolgd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de schuldenaar wordt niet toegelaten tot de schuldsanering wegens het niet volgen van een minnelijk traject.