Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2016:1476

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2016
Publicatiedatum
8 juli 2016
Zaaknummer
16/00899
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 285 lid 1 onder f FwArt. 288 lid 1 onder b FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing toelating schuldsanering wegens ontbreken minnelijk traject

In deze zaak stond de vraag centraal of de schuldenaar terecht was uitgesloten van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) omdat hij geen minnelijk traject had gevolgd, zoals vereist in artikel 285 lid 1 onder Pro f van de Faillissementswet (Fw). De rechtbank Noord-Holland had de toelating tot de schuldsanering geweigerd en het gerechtshof Amsterdam had dit oordeel bekrachtigd.

De schuldenaar stelde in cassatie dat het oordeel onjuist was, mede met een beroep op de goede trouw van de schuldenaar en de hardheidsclausule in artikel 288 lid 3 Fw Pro. De Advocaat-Generaal adviseerde primair tot verwerping van het cassatieberoep en subsidiair tot vernietiging en verwijzing.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet leiden tot cassatie en dat het cassatieberoep moet worden verworpen. De Hoge Raad vond geen aanleiding om rechtsvragen te beantwoorden die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Hiermee blijft de afwijzing van de toelating tot de schuldsanering in stand omdat het minnelijk traject niet is gevolgd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de schuldenaar wordt niet toegelaten tot de schuldsanering wegens het niet volgen van een minnelijk traject.

Uitspraak

8 juli 2016
Eerste Kamer
16/00899
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M. Littooij.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/15/234081 van de rechtbank Noord-Holland van 24 november 2015;
b. het arrest in de zaak 200.181.281/01 van het gerechtshof Amsterdam van 9 februari 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt primair tot verwerping om redenen aangegeven in 2.9 en subsidiair tot vernietiging en verwijzing op de gronden aangedragen in 2.10 en 2.20.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 4 mei 2016 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
8 juli 2016.