Conclusie
undue formalism.Dan zou onderdeel 1 wel (deels) opgaan en bestaat vervolgens wel belang bij beoordeling van de andere onderdelen van het cassatiemiddel. In dat geval slaagt volgens mij een deel van onderdeel 3, dat de verwerping van het beroep van [verzoeker] op toepassing van de hardheidsclausule aanvalt, vanwege een motiveringsgebrek. Dat zou dan leiden tot cassatie.
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
primaire route, die mij het meest voor de hand liggend lijkt, zou belang ontbreken bij de verdere cassatieklachten, die dan buiten beschouwing kunnen blijven, omdat dit een zelfstandig dragende grond is voor niet-toelating tot de schuldsaneringsregeling (waarbij ik ervan af zie dat dat tot niet-ontvankelijkverklaring had moeten leiden, maar daarover wordt in cassatie niet geklaagd). Bij het volgen van die route leidt dat meteen tot de conclusie van verwerping van het cassatieberoep (waartoe ik hierna
primairook zal komen).
subsidiaire routemoet worden bewandeld
.Niet ondenkbaar is – zij het wat mij betreft bepaald minder voor de hand liggend – dat de benadering van het hof over het rammelend minnelijk traject moet worden gezien als
undue formalism. De strekking van het betoog van [verzoeker] is immers: dat minnelijke traject was bij voorbaat kansloos (een “rituele dans”), want het was de bank (de grootste schuldeiser) die de stekker eruit heeft getrokken door de financiering van kantoor en privé stop te zetten, die het woonhuis is gaan executeren toen er nog gesprekken liepen over een regeling en toen ook maar het privé-faillissement van [verzoeker] heeft aangevraagd. In het kader van het lopende overleg over die ramkoers is niet gebleken van enig zicht op een regeling en [verzoeker] meende dat het daarom geen zin had dat nog eens te proberen bij wege van minnelijk traject in de schuldsaneringstoelatingssleutel, waarbij hij onder tijdsdruk stond om binnen 14 dagen toelating te verzoeken tot de schuldsaneringsregeling. Ik betrek daarbij dat het rammelende minnelijke traject bij de rechtbank kennelijk geen issue is geweest en het hof dit blijkens het proces-verbaal van de zitting
ambtshalveheeft aangekaart en – zo voeg ik daaraan toe – toen niet heeft aangedrongen op aanvulling van het toelatingsverzoek in de vorm van het alsnog pogen van een minnelijk traject met de bank en bij afwijzing dat dan fatsoenlijk te documenteren (afgezien van de vraag of dit op de weg van het hof had gelegen). In die omstandigheden is denkbaar dat Uw Raad tot het oordeel komt dat dit een te formalistische opstelling is geweest van het hof en dat moet worden gecasseerd op dit punt. Dan zou wel over het onderscheid tussen machinaties van de bank in het separatisten- en faillissementstraject enerzijds en een minnelijk traject voorafgaand aan een eventuele schuldsaneringsregeling anderzijds heengestapt moeten worden en ik vraag mij sterk af of dat wel juist is. Maar goed, in deze wat ik noem
subsidiaire benaderingzou subonderdeel 1.3 wel opgaan – en dat opent vervolgens belang bij behandeling in cassatie van de overige onderdelen, want dan draagt de weigering wegens het mankerende minnelijke traject niet meer zelfstandig. Ik ontkom in die route niet aan behandeling van de verdere onderdelen. De navolgende behandeling van onderdelen 2 en 3 kan worden overgeslagen als de primaire route de juiste is, zo zal inmiddels duidelijk zijn.
rulings) erop mocht vertrouwen dat niet van zijn aangiftes zou worden afgeweken – dat is iets heel anders dan de klacht ervan maakt. Ook lees ik in rov. 2.7 niet dat het hof een rechtsplicht zou aannemen tot reserveren voor belastingclaims waarmee [verzoeker] geen rekening hoefde te houden. Het hof geeft juist aan dat en waarom [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit claims waren waar hij geen rekening mee had te houden. Ook de klacht over het afgaan op fiscaal advies strandt hierop.
subonderdeel 3.3.2onbegrijpelijk in het licht van de aangevoerde omstandigheden:
referralsvan een New Yorks zakenkantoor dat door de kredietscrisis omviel en van business met Rusland, waar de sancties roet in het eten hebben gegooid. Maar zijn nieuwe juridisch advieskantoor (met zijn secretaresse als enig aandeelhoudster en hijzelf als directeur) is
low key, met minimale kosten en geen kredietfaciliteit. Gelet op zijn achtergrond (altijd advocaat geweest) en leeftijd (59) zal hij niet snel werk in loondienst vinden en met zijn nieuwe onderneming kan hij wel inkomen voor zijn schuldeisers verwerven. Ook heeft hij aangegeven dat wanneer de bewindvoerder deze nieuwe opzet onwenselijk vindt, hij bereid is zich te voegen naar het beleid van de bewindvoerder, zodat dit stelsel een voorlopig karakter heeft. Dat alles vormt onderbouwing van een bestendige gedragsverandering en is door het hof onbesproken gelaten, waarmee de beslissing de hardheidsclausule niet toe te passen niet voldoende is onderbouwd.
high browzakenkantoor aan de Amsterdamse Apollolaan met een overeenkomstige
lifestyleteruggevallen op een bescheiden eenpitterpositie als juridisch adviseur (geen advocaat meer), woont in een bescheiden huurhuis, heeft zijn voormalige echtgenote ertoe kunnen bewegen geen alimentatie te verlangen en heeft alle geldverslindende aspecten uit zijn vorige bestaan vaarwel gezegd, zo heeft hij onderbouwd. Dat een advocatenkantoor waarin hij als partner het ene jaar ruim € 5 ton winst maakte, hem het opvolgende jaar kan confronteren met een dito bedrag verlies door een samenloop van drastisch omzetverlies door kredietcrisis en boycot gevolgd door leegloop van partners en cliënten, waardoor doorlopende kosten onbeheersbaar werden en hij zijn privé bestedingspatroon niet kon volhouden en onvoldoende snel kon afbouwen, is eigen aan het risico van ondernemen en is in de kredietcrisis en daarbuiten vaker gezien in de advocatuur. Dat kan opeens heel hard gaan. Dat hij dit patroon in zijn nieuwe situatie weer over zich zou kunnen afroepen, valt in het licht van de aangedragen metamorfose van [verzoeker] tot bescheiden eenpitter met een bruto maandsalaris van € 2.700,- (exclusief bonussen) zonder nadere motivering van het hof, die niet is gegeven, niet in te zien. Het hof had het beroep op de hardheidsclausule volgens mij niet zonder in te gaan op dit aangepaste patroon mogen verwerpen als gedaan.
subsidiaire sleutel– dus bij slagen van subonderdeel 1.3 volgens de in 2.10 aangegeven route dat het mankerend minnelijk trajectsoordeel van het hof blijk geeft van
undue formalism– ook subonderdeel 3.4 (deels) gegrond acht en op deze
subsidiaireroute kom tot de aan de
primaire sleutel(vgl. 2.9) tegenovergestelde conclusie van vernietiging en verwijzing.
onderdeel 4behoeft naar mij wil voorkomen geen separate bespreking.
primairtot verwerping om redenen aangegeven in 2.9 en
subsidiairtot vernietiging en verwijzing op de gronden aangedragen in 2.10 en 2.20.