Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2016:1480

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2016
Publicatiedatum
8 juli 2016
Zaaknummer
16/01549
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 350 lid 3 onder c FwArt. 350 lid 3 onder d Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij WSNP-beëindiging

In deze zaak heeft verzoeker cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de tussentijdse beëindiging van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) werd bevestigd wegens niet-naleving van de informatieplicht en het ontstaan van nieuwe schulden. De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg en het arrest van het hof als feitelijke instanties.

De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO) omdat verzoeker onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad volgt dit standpunt en oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de raadsheren van Buchem-Spapens, Polak en du Perron, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer de Groot op 8 juli 2016.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en geen grond voor cassatie.

Uitspraak

8 juli 2016
Eerste Kamer
16/01549
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/03/14/757 R van de rechtbank Limburg van 10 november 2015;
b. het arrest in de zaak 200.180.457/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 maart 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a lid 1 RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 5-10).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
8 juli 2016.