Conclusie
Onderdeel 1richt zich tegen rov. 3.8.2 met de vaststelling dat [verzoeker] toerekenbaar tekort is geschoten in zijn informatieplicht, omdat de bewindvoerder [verzoeker] anders dan bij brief had moeten benaderen nu [verzoeker] niet in staat was post te openen en af te wikkelen, wat het onderdeel kwalificeert als disfunctioneren van de bewindvoerder, welk disfunctioneren de verwijtbaarheid zijdens [verzoeker] zou doen afnemen. De klacht maakt de draai dat het uitgangspunt dat de bewindvoerder de belangen van de schuldeisers behartigt en is belast met beheer en vereffening van de boedel, mee kan brengen dat hij namens de saniet voor betalingen zorgdraagt, om kwijtschelding vraagt en zelfs een beschermingsbewindvoerder laat benoemen.
Onderdeel 2klaagt dat het hof ten onrechte in rov. 3.8.2 heeft geoordeeld dat [verzoeker] zijn informatieverplichting structureel niet is nagekomen/nakomt, omdat hij dat bij beroepschrift en ter zitting heeft weersproken. Ook is het hof niet ingegaan op de vraag van [verzoeker] welke inlichtingen hij had moeten geven. Het onderdeel klaagt ook [4] dat bij de beoordeling van de vraag of de schuldsaneringsregeling moet worden beëindigd alle omstandigheden van het geval moeten worden betrokken, hetgeen het hof volgens het onderdeel heeft nagelaten.
Onderdeel 3richt zich tegen het oordeel over de bovenmatige schulden in rov. 3.8.3 en het eventuele inlopen daarvan in rov. 3.8.4. Deze schulden zouden niet moedwillig zijn gemaakt en het hof heeft [verzoeker] ten onrechte tegengeworpen dat hij geen deugdelijk onderbouwd plan van aanpak heeft overgelegd op grond waarvan tot een verlenging van schuldsaneringsregeling kan worden besloten. De klacht wijst weer op het beweerdelijke het niet functioneren van de bewindvoerder en het feit dat niet alle betrokken belangen zouden zijn gewogen.