Uitspraak
gevestigd te [vestigingsplaats],
gevestigd te Amstelveen,
1.Het geding
2.Het tweede geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
8 juli 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond een geschil centraal over een private aanbesteding van schoonmaakwerkzaamheden waarbij [eiseres] een beroep deed op de aanbestedingsvoorwaarden. De zaak bouwt voort op eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 3 mei 2013, waarin de verhouding tussen contractsvrijheid en het gelijkheids- en transparantiebeginsel bij aanbestedingen werd behandeld.
Het hof Den Haag had eerder geoordeeld en het arrest van het hof vormde de basis voor het cassatieberoep van [eiseres]. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarbij werd overwogen dat het beroep op de aanbestedingsvoorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.
De Hoge Raad verwijst in haar oordeel naar artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en stelt dat nadere motivering niet nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding, waarbij de kosten aan de zijde van KLM zijn begroot op een bedrag van € 4.852,34. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.